Parkstad Limburg: Experimenten in krimpregio

18 november 2013 | onderzoek

Het Voorbeeldenteam van Atelier ZZ onderzocht hoe ontwerpend vermogen wordt ingezet ten behoeve van de ruimtelijke innovatie en de ruimtelijke kwaliteit van Nederland. En welke rol speelt de regelgeving hierbij?
De voorbeelden moeten zichtbaar maken hoe regelgeving, maar ook andere zaken zoals economie, financiering, draagvlak, politiek, opdrachtgeverschap, proces etc. het ontwerpresultaat beïnvloeden. In de voorbeelden komen vraagstukken aan de orde als het spanningsveld tussen vrijheid en reguleren; de betekenis van demografische ontwikkelingen, krimp; hergebruik, levensloop van de ruimte, tijdelijkheid; duurzaamheid en gezondheid. Er werden vijf voorbeelden onderzocht.
Voor de opgave Experimenten in krimpregio onderzocht het team het praktijkvoorbeeld Parkstad Limburg.

De maatschappelijke opgave
In Noord- en Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg is sprake van bevolkingskrimp. Deze regio’s zijn voorlopers naar een nieuwe maatschappelijke werkelijkheid. Krimp is geen tijdelijk probleem in perifere regio’s waar de woning- en kantorenmarkt is ingezakt. Demografen voorspellen dat er rond 2040 voor Nederland als geheel een omslag zal plaatsvinden van bevolkingsgroei naar stagnatie of krimp. Krimp wordt op zichzelf niet als een probleem beschouwd, het is een ontwikkeling, een nieuwe context, die op termijn voor heel Nederland gaat gelden. De gevolgen van krimp kunnen echter wel negatief zijn. Met name wanneer demografische krimp samenvalt met economische krimp kan de leefkwaliteit onder druk komen te staan. Krimp heeft effecten op de woonomgeving, het voorzieningenaanbod, de werkgelegenheid, de woningmarkt en de sociale cohesie.
Bevolkingskrimp staat vanaf 2009 op de agenda van het Rijk (Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling). Het Rijk heeft krimpgebieden en anticipeergebieden benoemd. Krimpgebieden kennen al een structurele bevolkings- en huishoudensdaling. Bij anticipeergebieden wordt op middellange termijn een bevolkingsdaling verwacht. Het Rijk stelt dat gemeenten in principe de gevolgen van krimp zelf kunnen opvangen, mits zij daar tijdig op inspelen. Op provinciaal en regionaal niveau moet afstemming, coördinatie en regie plaatsvinden. Alleen voor Parkstad Limburg en Eemsdelta is een extra Rijksbijdrage van 31 miljoen beschikbaar gesteld voor experimenten met de aanpak van de woningvoorraad. Het Rijk voert verder een ondersteunend beleid (advies en kennis) en zal zorgen dat er in het Rijksbeleid en de regelgeving meer rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van bevolkingskrimp. Hieronder vallen bijvoorbeeld het stedenbeleid, de opheffingsnorm voor scholen, en inspanningen om arbeidsmarkt en zorg beter te laten aansluiten.
In de regio’s en de gemeenten is krimpbeleid vooral een zoektocht naar nieuw evenwicht. Het vraagt een gerichte aanpak, het is geen kwestie van een paar wijken slopen. Bevolkingskrimp hangt samen met sociaal-culturele factoren, conjuncturele ontwikkelingen, regionale economie, ruimtelijke mogelijkheden etc. Er is veel analyse nodig: wat is er aan de hand en is dat wenselijk? Er is een andere visie op de verhouding tussen kosten en baten nodig. Krimp geeft ruimte en ruimte is kapitaal.

De ontwerpopgave
Krimp is staat al een aantal jaar in de schijnwerpers als ruimtelijke ontwerpopgave. Het Ontwerplab Krimp van de BNA (2009) had als doel na te denken over krimp als kans en ontwerpstrategieën te ontwikkelen voor gebieden die te maken hebben met krimp. De eindpublicatie geeft een ontwerpgerichte aanpak die vooruit loopt op andere factoren zoals economische en politieke en kan dienen als leidraad voor het opstellen van een projectgerichte strategie voor krimpgebieden.
Drie algemene aanbevelingen uit het Ontwerplab voor de ontwerpopgave zijn:

  • Analyse op meerdere ruimtelijke schaalniveaus, ter plekke uit te voeren met de lokaal betrokkenen. Krimp kan zich voordoen op straatniveau maar heeft ook lokale, regionale en zelfs landelijke dimensies. Het gaat in de analyse niet alleen om de fysiek verschijnselen maar ook om bijvoorbeeld investeringsbeslissingen op verschillende schaalniveaus.
  • Zoek niet naar één oplossing. De verschillen tussen en binnen krimpgebieden zijn zo groot, dat maatwerk altijd noodzakelijk is. Daarbij moet worden aangesloten op kansen die zich ter plekke voordoen: landschappelijk, cultuurhistorisch, sociaaleconomisch, ruimtelijk of in welke vorm dan ook.
  • Ga niet te snel ontwerpen. Een waardevolle methodiek is om eerst de sociaaleconomische, cultuurhistorische en ruimtelijke karakteristieken van het gebied en de gemeenschap te benoemen en deze vervolgens te confronteren met een breed palet aan trends (waarvan krimp er één is) om zo de potenties van gebied en samenleving bloot te leggen. Op basis daarvan kunnen ruimtelijke scenario’s worden ontworpen.

Een specifiek aandachtspunt van de ontwerpopgave is de omgang met cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed wordt gezien als een krachtige motor voor ontwikkeling in de krimpgebieden. In de Visie Erfgoed en Ruimte van het Rijk (VER) worden de krimpregio’s als voorlopergebieden benoemd als het gaat om herbestemming en de onorthodoxe keuzes die daarbij onontkoombaar zijn.

Het praktijkvoorbeeld
Voor deze opgave onderzocht het Voorbeeldenteam van Atelier ZZ het praktijkvoorbeeld Parkstad Limburg.
Lees de volledige onderzoeksresultaten in de Rapportage Voorbeeldenteam 2013

Gerelateerd