Utrechtse aanpak naar een omgevingsvisie

22 februari 2016 | column | Robbin Knuivers en Martine van Rijn

Tal van gemeenten, regio’s, provincies en het Rijk werken, vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet, op dit moment hard aan een omgevingsvisie. Ook Utrecht erkent de urgentie van de Omgevingswet, maar neemt tijd en probeert de gehele organisatie en samenleving te betrekken. Utrecht wil een omgevingsvisie meer laten zijn dan een structuurvisie waar extra participatie bij heeft plaatsgevonden. Maar wat is dat meer dan? Wat is een integrale omgevingsvisie? Qua thema’s, qua planvormingsproces, qua doorlooptijd, qua inbreng van de bevolking en meer.

Vakgebied overstijgende thema’s
Een omgevingsvisie vraagt volgens ons om een andere inzet op inhoud: vakgebiedoverstijgende thema’s in plaats van sectorale behandeling van onderwerpen waarbij elke beleidsafdeling een paragraaf aanlevert. Utrecht maakt in eerste instantie niet een nieuwe (sectorale) visie op de fysieke leefomgeving, maar ordent de bestaande beleidskaders en ruimt de boekenkast op door verouderde beleidsnota’s in te trekken. De inhoud uit de overblijvende beleidsnota’s wordt samengebracht tot een overzichtelijk meer integraal beleidskader. In de literatuur vaak aangeduid als een ‘Omgevingsvisie light’. Maar vergis je niet: ‘light’ is niet zo gemakkelijk als het lijkt. We willen dat het een product wordt van alle beleidsafdelingen. We vragen hulp en we doen het samen. Draagvlak vorming intern, cultuurverandering en integraal kijken zijn hier misschien wel moeilijker dan de inhoud sec. En het kost tijd.

Van eindproduct naar doorlopend proces
Hier in Utrecht gaan we uit van een integraal beleidskader (Omgevingsvisie Light) op stadsniveau en een uitwerking daarvan in de Omgevingsvisie op deelgebiedniveau (die weer wordt vertaald in het Omgevingsplan). Maar een Omgevingsvisie is een nieuw product en naast inhoud lopen we ook tegen tal van andere vragen aan. Is een Omgevingsvisie bij vaststelling bijvoorbeeld niet al achterhaald? De doorlooptijd van een traditionele structuurvisie was vaak minimaal tien jaar. Als de visie samen met bewoners en andere belanghebbenden tot stand is gekomen, wat doe je dan met nieuwe belanghebbenden en bewoners? En hoe houd je zo’n product bijvoorbeeld politiek-bestendig? Wat als een volgend bestuur andere overstijgende thema’s wil? De Utrechtse omgevingsvisie kon weleens niet in één keer af zijn, maar een doorlopend proces. En bevat misschien ook geen gelijkwaardige uitwerking van alle mogelijke thema’s, maar maakt bijvoorbeeld keuzes voor datgene wat nu belangrijk is en wat straks nadere uitwerking verdient. Of erkennen we de verschillen tussen gebieden in de stad en vullen we de Omgevingsvisie doorlopend met op-maat-gemaakte deelomgevingsvisies? Zo experimenteert Utrecht nu met een Omgevingsvisie voor een deelgebied, waarin alle gesprekspartners in dat gebied uitspreken wat de te behouden waarden en mogelijke ontwikkelingen zijn. Daarna volgt pas het Omgevingsplan. Dit lijkt ons de meest logische volgorde, in het besef dat dat de regels en vergunningstelsels de instrumenten zijn om beleid uit te voeren.

Meerdere goede antwoorden
Net als vele gemeenten in Nederland zijn we aan het zoeken. We weten nog niet precies hoe het product of proces er uit zal zien. Op dit moment is de reis naar een tussenproduct en het vervolgproces daarvan misschien wel net zo belangrijk als het uiteindelijke product zelf. Een reis waarin we werken naar een product waar iedereen zich in herkent, zowel binnen het stadkantoor als in de stad. Misschien niet iedereen honderd procent, maar is tachtig procent niet al heel erg goed? Utrecht heeft geen verlossend antwoord, maar stelt de opgave in de stad of in een gebied voorop, maakt keuzes met alle gesprekspartners en daagt uit om mee te doen. Resulterend in een hele andere Omgevingsvisie? Misschien wel, misschien niet, wie weet.

Robbin Knuivers en Martine van Rijn
werken bij gemeente Utrecht aan het project Beter Bestemmen. Hierin wordt geanticipeerd op de nieuwe planinstrumenten uit de Omgevingswet, maar wordt vooral ook gezocht naar meer flexibiliteit in de huidige en toekomstige ruimtelijke ordeningspraktijk.