Social Design en de Omgevingswet

7 maart 2016 | column | André Schaminée

De achterliggende jaren waarin flink bezuinigd werd op overheidsuitgaven heb ik op een bepaalde manier als inspirerend ervaren. Termen als doe-democratie, participatiesamenleving en uitnodigende overheid kwamen in zwang en ik zag overheid en burgers nieuwe rollen verkennen. Samen met een netwerk van social designers heb ik verschillende overheden en corporaties daarbij mogen helpen.

Social designers zijn ontwerpers en beeldend kunstenaars die met hun kennis en kunde een bijdrage leveren aan maatschappelijke vraagstukken. Het repertoire van social designers kon wel eens van doorslaggevend belang blijken voor het realiseren van de ambities van de Omgevingswet.

Ik bemerk een groot optimisme bij de partijen die betrokken zijn bij de totstandkoming van de Omgevingswet om bij de nieuwe tijd aan te sluiten. De Omgevingswet zal veel dingen duidelijker en makkelijker maken. De ruimtelijke ordening komt daarmee, zo is het beeld, meer in handen van burgers en ondernemers te liggen. Ik juich dat toe. Toch stellen alle mooie woorden over integraliteit en participatie mij nog niet gerust.

Wet- en regelgeving alléén zal onvoldoende zijn om mensen maker te laten worden van hun eigen leefomgeving. Ik herken me in de conclusies over participatie in relatie tot de nieuwe Omgevingswet, zoals die onlangs werden gepubliceerd door de BNSP:

“Wie wel en wie (nog) niet gevraagd wordt om te participeren (en waarom niet), blijkt een voortdurende vraag. Dat geldt ook voor de toegankelijkheid van lopende participatieprocessen voor nieuwe toetreders” (bron: BNSP )

Binnen ons project Mag Stad zoeken social designers en ambtenaren naar onverwacht initiatief en unusual stakeholders. Tijdens dit onderzoek ervaren we telkens dat maar een kleine groep daadwerkelijk meedoet in een samenwerking met de overheid. Het zijn mensen die over de kennis beschikken hoe je een initiatief door de ambtelijke molen krijgt en/of mensen die een initiatief hebben dat niet al te veel conflicteert met andere kerntaken van de overheid (zoals het beschermen van de rechtsgelijkheid, de veiligheid en het collectief belang). Er zijn ook mensen die niet uitgebreid participeren, maar gewoon doen. En grote groepen die best mee zouden willen doen, maar dan op hun eigen manier.

Wanneer we de overheid initiatieven voorleggen die spanning zetten op de andere kerntaken, wordt al snel het verschil ervaren tussen het goed doen en het goede doen.

Ongevraagd initiatief. Mag Dat? Beeld: www.magstad.nl

Ongevraagd initiatief. Mag Dat?

Met de nieuwe Omgevingswet wordt die spanning niet opgelost. Sterker: de kans is groot dat er méér conflicten zullen optreden, aangezien er naar verwachting meer formeel initiatief zal ontstaan vanuit een particulier belang. Meer bevoegdheden voor lokale bestuurders kan helpen om tot maatwerk te komen, maar er is meer nodig.

Om van de Omgevingswet een succes te maken, om inhoud te geven aan integraliteit en participatie, om er, kortom, een inclusieve beweging van te maken, kan gebruik gemaakt worden van de rijke instrumentenkoffer van social design. Een greep hieruit:

  • Blanke hoog opgeleide mannen van pensioensgerechtigde leeftijd blijven we met open armen ontvangen, maar Surinaamse bijstandsmoeders, Henk & Ingrid, jongeren die vergroeid zijn met hun smartphone en jonge ouders die van voor niet meer weten dat ze van achteren leven willen we er óók bij hebben. Het proces moet uitnodigend zijn voor een ieder. Dat kan alleen als we begrijpen wat mensen beweegt in het leven en wat hen daarbij tegenhoudt. Een empathische houding is de basis voor relaties, niet de Wet.
  • Iedereen die onderdeel is van een ruimtelijk vraagstuk, moet onderdeel kunnen worden van de oplossing. Werken in co-creatie vraagt een andere inzet van professionaliteit. Dienstbaarheid aan het vraagstuk, zonder je expertise te verliezen. Maar ook om eigenbelang in toom te houden. Met ontwikkelruimte komt verantwoordelijkheid. In Wedding, Berlijn werd door de bewoners bij de herinrichting van het plein waaraan ik woonde ook nagedacht over een plekje voor de daklozen. In co-creatie met die daklozen.
  • Creëren van goede frames, ofwel: stimulerende beperkingen. In het kader van Mag Stad ontmoette ik een ambtenaar die ontdekte dat de vraag: “hier ligt een braakliggend terrein, wat kan daar mee?” niks opleverde. Maar dat de vraag: “We willen hier een flexibel sportterrein maken, wie heeft er ideeën voor de inrichting en programmering?” een niet te stoppen stroom aan energie en initiatief losmaakte.
  • Maak het ONAF: Open (bereikbaar en laagdrempelig) Nuttig (herkenbaar en interessant), Aansprekend (ik voel me uitgenodigd mee te doen) en flexibel (het mag in mijn handen nog veranderen).

André Schaminée
is adviseur bij Twynstra Gudde en oprichter van Is Ook