Radicale verschuivingen

9 oktober 2013 | column | Wouter Vanstiphout

Enkele weken geleden verraste Rijksbouwmeester Frits van Dongen ons met de uitspraak in Nieuwsuur en in het Financieel Dagblad dat Nederland is uitgebouwd, dat er geen nieuwe gebouwen meer bij hoeven omdat we er al veel te veel hebben. In plaats daarvan voorzag hij een volledige heroriëntatie van het ontwerpvak op transformatie. Kantoorgebouwen op leuke locaties kunnen verzamelgebouwen worden voor jonge zzp’ers en kantoorgebouwen op minder leuke locaties kunnen hergebruikt worden voor intensieve landbouw zodat een stad als Amsterdam zelfvoorzienend zou kunnen worden wat betreft voedsel, of althans groente.

Er valt veel af te dingen op de opmerkingen van de Rijksbouwmeester. Zo blijkt uit recente cijfers van het CBS dat er de komende decennia honderdduizenden nieuwe woningen nodig zullen zijn, met name in de grote gemeenten. Willen we die allemaal in leegstaande kantoorgebouwen onderbrengen, of vindt het College van Rijksadviseurs dat woningbouw geen onderwerp meer is voor publiek ontwerp?
Een ander voorbeeld is de zorg. De extramuralisering van de zorg, brengt niet alleen leegstand van verzorgingshuizen met zich mee, maar ook een gigantische bouw – en dus ontwerp? – opgave voor nieuwe kleinschalige, semi-zelfstandige arrangementen voor mensen die van zorg afhankelijk zijn.

De echte transformatie waar Nederland voor staat is er helemaal geen van groei of krimp, niet van plaatselijke verdichting en verdunning en ook niet van transformatie versus nieuwbouw. Het probleem van Nederland in het algemeen en voor de ontwerpwereld in het bijzonder is niet wat, hoeveel en waar we gaan bouwen, maar hoe we het gaan betalen, organiseren en beslissen. Of om het iets dramatischer te beschrijven: terwijl Frits van Dongen optimistisch wijst op een hele nieuwe generatie van potentiële hergebruik- en duurzaamheidsopdrachten, lijkt hij niet te beseffen dat de gehele institutionele ondergrond waarop zijn vak en zijn huidige positie rust, onder zijn voeten aan het verschuiven is.

Laten we beginnen bij het geld. Na decennia van enorme grondopbrengsten, schatrijke woningcorporaties en schier eindeloze kantoren en winkelprojecten, is er nu en in de afzienbare toekomst beduidend minder geld voor investeringen in ruimtelijke kwaliteit. Dit gaat veel verder dan alleen geen grote gebouwen meer; het raakt ook de inrichting van de openbare ruimte, openbare voorzieningen, bereikbare woningen en inderdaad: hergebruik van bouwprojecten.

Ten tweede: organisatie. De nieuwe Omgevingswet, de nieuwe zorgwet en veel andere wetgeving decentraliseren Nederland op een radicale wijze. Verantwoordelijkheden, en daarmee kennis en kunde, worden afgestoten, versplinterd en zoveel mogelijk aan de kleinst mogelijke bestuurlijke eenheden overgelaten. De woningcorporaties die vanuit het rijksbeleid jarenlang taken van de gemeenten overnamen, worden nu door dezelfde rijksoverheid gedwongen deze ook weer terug naar de gemeenten te duwen. Gemeenten, die dikwijls al bijna omkomen in de financiële problemen, moeten nu razendsnel improviseren om hun centrale rol te gaan spelen, zonder extra geld, zonder extra kennis. Van de voorspelbare, en in iedere gemeente min of meer soortgelijke, omgeving voor architecten om in te werken is straks weinig tot niets meer over. Van gemeente tot gemeente zal de ontwerper een totaal andere rol moeten spelen, afhankelijk van de gemaakte keuzes en de middelen die voorhanden zijn.

Tenslotte: hoe gaan we beslissingen nemen? Er is een parallel tussen het drastisch afgenomen vertrouwen in de politiek en de legitimiteit van bouwprojecten. Grote projecten worden steeds meer gezien als voorbeelden van de willekeur en het autisme van gemeenten, corporaties en ontwikkelaars. Tegelijkertijd zijn bestuurders angstiger geworden voor de electorale reacties op bouwprojecten. Dat leidt soms tot het afblazen van projecten, soms tot het angstvallig weigeren van publiek debat. Gemeenten experimenteren, dikwijls halfslachtig, met referendum achtige vormen voor bouwprojecten zoals de stadsinitiatieven in Rotterdam en de prijsvraag voor de Grote Markt in Groningen. De representatieve democratie, die de aan haar gedelegeerde macht op heldere en zelfverzekerde wijze kan doen uitdrukken in flinke gebouwen en stedenbouwkundige projecten die het collectieve belang symboliseren, is een model dat nauwelijks nog werkt.

De architect verliest de impliciete steun van het bestuur en zal net als de hedendaagse politicus in een permanente campagnepositie moeten staan. Daarbij zal hij zoveel mogelijk wisselende coalities van belanghebbenden in zijn project moeten weten te vinden om dat project overeind te houden. Hij zal ook van project tot project en van gemeente tot gemeente het geld bij elkaar moeten zoeken, en een organisatievorm om zijn project heen moeten bouwen.
De bijzondere positie van de Nederlandse architectuur is dat zij nauw verbonden is geweest met de publieke zaak. De laatste decennia is deze verbintenis geïnstitutionaliseerd door middel van wetten, instellingen en regelingen van woningwet en welstandsbepalingen tot architectuurbeleid en Rijksbouwmeester. Met de nieuwe Omgevingswet worden niet alleen een heleboel regelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening samengevoegd, maar wordt ook de bijl gezet aan de vanzelfsprekendheid van de positie van de ontwerper in deze institutionele omgeving. Dat wordt door veel vertegenwoordigers van de ontwerpers als een uiterst bedreigende en kwalijke zaak gezien, zowel voor het ontwerpvak als voor de ruimtelijke kwaliteit van Nederland.

De verbinding van het ontwerp met de publieke zaak zou dieper en verder moeten gaan dan de afhankelijkheid van de rijksoverheid. Nu het rijk zich steeds verder distantieert van de publieke zaak, zou dat niet moeten betekenen dat de architecten dat vanzelf ook doen. Nederland is op een niet altijd even gelijkmatige of doordachte wijze aan het overgaan van de Thorbeckiaanse Gedecentraliseerde Eenheidsstaat, naar een andere vorm: een Federale Participatiesamenleving? Een Participatieve Veelheidsstaat? Een Decentrale Participatiestaat? De huidige generatie ontwerpers krijgt mogelijkheden die het vak sinds de opbouw van de verzorgingsstaat niet meer heeft gehad: het vorm, richting en beeld geven aan het hortende en stotende ontstaan van een nieuw sociaal-ruimtelijk contract in Nederland.

Wouter Vanstiphout is voorzitter van het Ontwikkel/Ontwerpteam van Atelier ZZ