Gaat Nederland het merken?

22 augustus 2016 | column | Paul de Bruijn

De nieuwe Omgevingswet beoogt meer integraliteit, vereenvoudiging, meer duurzaamheid, meer regionale speelruimte en het combineren van ‘zekerheid en dynamiek’. Een ambitieuze set van eisen waar je niet tegen kunt zijn. Maar wordt Nederland er ook beter van?

Nederland behoort tot de gelukkigste landen van de wereld. We staan op bijna alle lijstjes van tevredenheid en gezondheid in de top 5. En democratisch zijn we ook, we praten veel met elkaar voordat we de knoop doorhakken. Overleg is ook wel nodig. Veel activiteiten op de ene plek, hebben impact op de andere plek. We zijn immers klein. Wie niet meedoet aan de dijkverhoging, zorgt voor ‚lekkage‘ langs de hele rivier en dat kan de bedoeling niet zijn. We zien dagelijks in het nieuws dat deze vorm van harmonisch samenleven niet wereldwijd wortel heeft geschoten.

Deze gelukzalige omstandigheden hebben wij niet in de laatste plaats te danken aan het uitgewogen stelsel van regelgeving, die de processen die nodig zijn voor een ordentelijk samenleven vastleggen. De nieuwe Omgevingswet wil ik maar zeggen, wordt gelukkig niet afgeschaft. Dat zou overigens niet verrassend zijn in een tijd van vergaand marktdenken en deregulering. Wel wordt vereenvoudiging nagestreefd. En wie kan daar op tegen zijn. Oplettendheid is wel geboden. Immers vereenvoudigen heeft vaak ook materiële gevolgen voor de wet: eenvoudig is vaak ook minder.

Meer integraliteit is ook een doelstelling waar je op voorhand niet tegen kunt zijn. Maar wie vaker ‘integraal werkt’ weet dat het er meestal niet eenvoudiger op wordt. AHMAS kennen sommigen wellicht nog als begrip: Alles Hangt Met Alles Samen. En wie dat in regelgeving probeert te vangen, zal niet snel tot vereenvoudiging komen.

De nieuwe Omgevingswet belooft ook meer ruimte voor duurzaamheid. Ook geen doelstelling om spandoeken voor te schilderen. Hoe kun je daar op tegen zijn? Maar is het niet verbazingwekkend dat de huidige wetgeving duurzaamheid afremt? Deskundigen zullen het ongetwijfeld kunnen uitleggen, maar vreemd blijft het.

Als je via de A27 bij Breda, of via de A12 bij Bergh Nederland inrijdt, zie je het onmiddellijk: dit moet het land zijn van ruimtelijke ordening. Niet die rommelige lintbebouwing van de zuiderburen, of de vreemde ‘neben einander‘ staan van fabrieken en woonwijken bij onze oosterburen. Nee, dat zul je ‚bij ons‘ niet zien.
Maar daar staat ook wat tegenover: de saaie eenvormigheid van ons land. De veilige middenmaat. De trefzekere woondozen. De strakke straatjes. De reglementair overal grijs geschilderde lantaarnpalen. Het is van een slaapverwekkende eentonigheid.

De doelstelling voor meer regionale verschillen, die de nieuwe Omgevingswet belooft, kan ons land nog goed van pas komen. Bij Gelderland binnenrijden en direct zien dat je niet in Drenthe bent. Of het verschil kunnen zien tussen een straat in de Achterhoek en de Veluwe. Als dat lukt, kan Nederland er beter van worden. Meer divers, spannender, meer regionale identiteit.

Het zal nog een hele klus worden om alle mooie ambities in één wet te verenigen.

Paul de Bruijn
werkt aan stadsprojecten, verbindende online communicatie en geeft speciale rondleidingen in Berlijn. Daarnaast is hij mede-initiator van Coehoorn Centraal in Arnhem.