Zwarte Zwanen

december 2014 | artikel

Atelier ZZ is genoemd naar het populaire boek van Nassim Taleb, een Amerikaanse auteur en voormalig derivatenhandelaar van Libanese afkomst. In “The Black Swan: The impact of the highly improbable”(2007) schrijft hij over de tegenstelling tussen de manier waarop wij nog steeds toekomstvoorspellingen maken gebaseerd op het extrapoleren op basis van bestaande patronen, terwijl we kunnen vaststellen dat de geschiedenis steeds meer bepaald wordt door volstrekt onvoorspelbare en onvoorspelde gebeurtenissen en ontwikkelingen, de zogenaamde ‘outliers’.

We hebben deze enigszins exotische referentie opgenomen in onze titel, om aan te geven dat we met de Nederlandse ruimtelijke ordening een periode ingaan waarin we ons meer en meer zullen moeten openstellen voor het onverwachte, het onvoorspelbare en dus voor het onvoorspelde. Daarmee laten we een periode achter ons waarin we met enig succes de onvoorspelbaarheid van ontwikkelingen telkens wisten te bezweren of althans te absorberen, met een uitermate gesofisticeerd en uitgebreid planningsstelsel.
Dit planningsstelsel was diep ingebed in een politieke en een maatschappelijke filosofie die uitging van gelijkheid tussen regio’s. Vanaf de wederopbouwperiode documenteren de nota’s ruimtelijke ordening 1 tot en 3 een consistent en uiterst effectief beleid waarmee Nederland als één enkele ruimtelijk-maatschappelijk-economisch-culturele eenheid werd gepland en inderdaad ontworpen. Het financiële stelsel ging van dezelfde principes uit. In de nota’s 4 en 4 ½ (waarmee de Vierde nota voor de ruimtelijke ordening extra, de zogenaamde Vinex, wordt bedoeld) werd dit losgelaten met de inzet op ‘regio’s op eigen kracht’.
Toch bleef het gelijkheids- en gelijkwaardigheidsdenken nog lang doorwerken. Van de planning van de Rotterdamse havenregio met haar satellietsteden en groeikernen om de nieuwe arbeiders in de Rijnmond te huisvesten, tot en met de uitbreiding van een Drents dorp als Emmen, werden de vruchten van de moderniteit gelijkmatig en methodisch over heel Nederland verspreid, juist vanwege de enorme verschillen in economie, landschap en cultuur. Nederland moest immers één land worden, en het Rijk gebruikte industriepolitiek, infrastructuur, sociale voorzieningen en ontwerp om de verschillen voor een gezin dat in de Rijnmond of op de Drentse hei woonde te minimaliseren.

Vijftig jaar lang lukte het min of meer om de Zwarte Zwanen van de ongeplande en lokale ontwikkelingen en verschillen in meer of mindere mate te beheersen, of ze in elk geval in te kaderen, zodat ze niet gingen domineren. Toen in Zuid-Limburg ineens de zeer lokale mijnindustrie instortte, werd vanuit Den Haag het Centraal Bureau voor de Statistiek daarheen verplaatst om de plotselinge werkloosheid te compenseren met een injectie van rijbanen; maar toen in Groningen een schier onuitputtelijke hoeveelheid aardgas werd aangetroffen, werden de winsten eveneens over heel het land verdeeld.

Inmiddels zien we dat deze filosofie en dit beleid van spreiding en gelijkheid tot een knarsend einde is gekomen, en stapsgewijs, hortend en stotend door een andere praktijk wordt vervangen. Is het Nederlandse spreidingsbeleid aan zijn einde aan het komen door een verandering in het denken, door een paradigmawisseling in de politiek-bestuurlijke moraal? Of zijn de Zwarte Zwanen simpelweg te sterk en te dominant geworden? Het gaat – uiteraard – om een combinatie van beiden. Demografische en economische ontwikkelingen maken de verschillen tussen Nederlandse regio’s steeds duidelijker en scherper. We hebben echte, acute krimpregio’s aan de randen van het land, en toenemende druk op de stedelijke gebieden. Tegelijkertijd is het bestuur van Nederland steeds complexer geworden, met steeds meer internationale (Europese), lokale, semipublieke en maatschappelijke spelers, waardoor de consistentie en de conceptuele eenduidigheid van dertig of veertig jaar geleden niet meer is vol te houden. Bovendien zien we dat het soort generieke beleid, waarmee in het verleden de ongelijkheden tussen Nederlandse regio’s werden gecompenseerd, nu de ongelijkheden eerder versterken. Als voor een krimpend gebied in Noord Nederland dezelfde regels en wetten gelden wat betreft de maximale prijs van een sociale huurwoning als in het centrum van Amsterdam, maakt dat het voor de Delfzijlse gemeente en corporaties bijna onmogelijk nog op een normale manier voor haar burgers te zorgen.

We kunnen de nieuwe Omgevingswet die tot en met 2018 wordt ontwikkeld en ingevoerd dan ook zien als een cruciale koerswijziging, die de hele filosofische kern van het Nederlandse ruimtelijke beleid raakt, maar die ook een enorme pragmatische urgentie bezit. ‘Eenvoudig Beter’ is het thema, wat een interessante realistische dialectiek verraadt. De toenemende complexiteit en onvoorspelbaarheid van het Nederlands territorium, wordt het hoofd geboden met juist een vereenvoudiging van het planningsstelsel. Dat is een radicale breuk met vooral de latere Nota’s voor de Ruimtelijke Ordening die juist in complexiteit toenamen, in een wanhopige wedloop met de toenemende complexiteit van de Nederlandse maatschappij.

Maar betekent deze strategische terugtocht van de centralistische, op regionale gelijkheid (en daarmee op spreiding) gebaseerde ruimtelijke ordening, ook een terugtocht van het ontwerp? Betekent dit dat participatie en decentralisatie de hogere doelen zijn geworden, boven ruimtelijke kwaliteit en ambitie? Dit is begrijpelijkerwijs een grote angst die niet alleen bij de vakgemeenschap van ontwerpers leeft, maar ook bij de lokale gemeenschappen en misschien nog wel het sterkste bij de Haagse ambtenaren en bestuurders die de terugtrekking en de heroriëntatie met de nieuwe Omgevingswet uitvoeren.

Klik hier om het artikel te downloaden