Arnhem: Revitalisatie aandachtswijk

18 november 2013 | onderzoek

Het Voorbeeldenteam van Atelier ZZ onderzocht hoe ontwerpend vermogen wordt ingezet ten behoeve van de ruimtelijke innovatie en de ruimtelijke kwaliteit van Nederland. En welke rol speelt de regelgeving hierbij?
De voorbeelden moeten zichtbaar maken hoe regelgeving, maar ook andere zaken zoals economie, financiering, draagvlak, politiek, opdrachtgeverschap, proces etc. het ontwerpresultaat beïnvloeden. In de voorbeelden komen vraagstukken aan de orde als het spanningsveld tussen vrijheid en reguleren; de betekenis van demografische ontwikkelingen, krimp; hergebruik, levensloop van de ruimte, tijdelijkheid; duurzaamheid en gezondheid. Er werden vijf voorbeelden onderzocht.
Voor de opgave Revitalisatie aandachtswijk onderzocht het team het praktijkvoorbeeld Klarendal in Arnhem.

De maatschappelijke opgave
Woonwijken waar de leefbaarheid ernstig onder druk staat worden achterstandswijken, krachtwijken, of tegenwoordig aandachtswijken genoemd. Leefbaarheid is ‘de mate waarin de leefomgeving aansluit bij de voorwaarden en behoeften die er door de mens aan worden gesteld.’
Tussen 2008 en 2012 investeerde het Rijk ruim een miljard euro in veertig aandachtswijken. Ook corporaties en gemeenten hebben er significant hoger geïnvesteerd dan in andere wijken. Over het effect worden tegenstrijdige conclusies getrokken. Op basis van de Leefbaarometer wordt geconcludeerd dat ontwikkelingen in de leefbaarheid in de veertig krachtwijken tussen 2008 en 2012 positiever zijn geweest dan in andere wijken. Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelt echter dat leefbaarheid, veiligheid en sociaaleconomische positie van bewoners van de veertig krachtwijken tussen 2008 en 2012 nauwelijks méér is verbeterd dan in vergelijkbare wijken waarin minder is geïnvesteerd.
Het Rijk decentraliseert en trekt zich terug uit het wijkbeleid. Sinds 2012 investeert het Rijk geen extra geld meer in de aandachtswijken en na 2014 houdt ook het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV) op te bestaan. Lokaal bestuur, burgers, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen in de stad worden zelf verantwoordelijk gesteld. Aandachtswijken kunnen ‘laboratoria van bestuurlijke en institutionele vernieuwing’ worden.
De problemen in de aandachtswijken zijn nog niet opgelost. De achterstanden zijn nog substantieel en de gevolgen van de crisis komen relatief hard aan. Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten blijft er, zelfs als lokale partijen maximaal investeren, een jaarlijkse Rijksbijdrage van 240 miljoen nodig om te voorkomen dat leefbaarheid en woonkwaliteit verslechteren. Vooralsnog is er echter geen zicht op zo’n bijdrage. Daar komt bij dat de rol van de corporaties wordt ingeperkt. Hoewel zij door het Rijk keer op keer worden genoemd als belangrijke partij in de wijkaanpak, ligt er een wetsvoorstel hun taak te beperken tot woningen voor de doelgroep en daarmee verbonden maatschappelijk vastgoed en leefbaarheidsingrepen. Woningcorporaties mogen niet langer in bedrijfspanden, zoals winkels, investeren en die beheren, of zelf onderwijs geven of zorg verlenen.

De ontwerpopgave
De wijkaanpak heeft al sinds het grotestedenbeleid drie pijlers: de fysieke, de sociale en de economische. Sectoraal werken is op wijkniveau uit den boze, de drie pijlers moeten tegelijk en in samenhang worden verstevigd.

Fysiek
Fysiek-ruimtelijke kenmerken kunnen positieve condities scheppen voor menselijke interactie en economische activiteiten. Het gedachtegoed van Jane Jacobs is hierbij nog steeds toonaangevend: diversiteit is de voedingsbodem voor vernieuwing en groei van de lokale economie. Diversiteit wordt bevorderd door menging van wonen en werken, door een mix van oude en nieuwe bouwwerken en van goed en minder goed onderhouden gebouwen, door een stratenpatroon dat de netwerken ondersteunt en stimuleert en door een goede balans tussen concentratie en spreiding van mensen in de openbare ruimte.

Sociaal
De sociale pijler richt zich op bewoners, gebruikers en bezoekers van de wijk. De wijkaanpak draait om mensen, niet om instanties. Professionals – ook ontwerpers – moeten kennis hebben van wat er leeft en in staat zijn mensen in hun kracht en vermogen aan te spreken. Dat is heel wat anders dan ‘de’ bewoners een beslissende stem toedichten. Het gaat om professionals die aanwezig zijn, mensen met elkaar kunnen verbinden, herkend worden op straat, die de spin in het wijkweb zijn.

Economisch
De economische pijler is gericht op stimuleren van duurzame wijkeconomie, oftewel: het volledig benutten van de economische potenties van een wijk en haar bewoners, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de economische vitaliteit en de leefbaarheid van een wijk. Kenmerken voor succesvolle wijkeconomie zijn: specifiek vestigingsklimaat en branchering, zichtbaarheid en contact, kwalitatief goed ondernemerschap en het aanboren van talent uit de wijk. In navolging van de theorie van Richard Florida ligt in veel wijken het accent op het aantrekken van de creatieve sector.
De ambities op wijkniveau kunnen strijdig zijn met het stedelijk beleid. Wat goed is voor de wijk, is niet altijd goed voor de stad… en andersom. De ontwerpopgave op lokaal niveau is om te onderzoeken hoe de schaalniveaus van wijk (leefbaarheid) en stad (stedelijkheid) zich tot elkaar verhouden.

Het praktijkvoorbeeld
Voor deze opgave onderzocht het Voorbeeldenteam van Atelier ZZ het praktijkvoorbeeld Klarendal, Arnhem.
Lees de volledige onderzoeksresultaten in de Rapportage Voorbeeldenteam 2013

Gerelateerd