Omgevingswet als hoop en verlangen

column | 27 maart 2018 | Peter van Rooy

In zijn boek De Onzichtbare Hand beschrijft transitie-econoom Bas van Bavel de opgang en neergang van beschavingen. Voor het huidige tijdsgewricht constateert hij een zekere machteloosheid. Dé markt en dé mondialisering lijken krachten buiten ons die onze toekomst bepalen. Alsof we (al) in dienst staan van neoliberale robots.
Hij ziet de voornaamste vorm van positieve tegenbeweging in Nederland, in allerlei vormen van zelforganisatie en in de weer groeiende populariteit van coöperaties. Hoewel we er geen grond, arbeid en kapitaal in onderbrengen, is het wel een signaal dat de mythe wordt ontrafeld dat de vrije markt bij uitstek een modern verschijnsel zou zijn en altijd groei, welvaart en vrijheid zou blijven genereren. Deze ontmythologisering opent allerlei nieuwe handelingsperspectieven en toont ook de noodzaak tot handeling.

Voor mij raakt de geest van de Omgevingswet hieraan. Er spreekt een erkenning uit, dat we de grote opgaven (energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteitsimpuls, et cetera) op lokale en regionale schaal niet zonder de kracht van particulieren en het MKB kunnen realiseren. Overheden betalen zich scheel voor vergelijkbare resultaten en multinationals staan zo ver van ons af dat ze niet weten waar aan te beginnen. De toekomst van een gebied wordt weer van mensen die er wonen, werken en tijdelijk verblijven. Met de Omgevingswet worden overheden gestimuleerd om te luisteren en te ondersteunen waar initiatieven naast individuele ook maatschappelijke meerwaarde genereren.

Om tot maatschappelijke meerwaarde te komen is een dialoog met de zogeheten omgeving vereist. Normale menselijke gesprekken die we de afgelopen decennia voornamelijk via overheden hebben gevoerd. Overheden stonden centraal en genoten daar aanvankelijk ook van. Kijk mij eens. Inmiddels geven zij te kennen dat communicatieve zelfsturing, met inzet van kennis en kunde, veruit te verkiezen valt. Ook al weten we dat dit gepaard zal gaan met vallen en opstaan. We moeten weer leren lopen, niet als eenlingen in de box maar met elkaar op straat. En met elkaar weer bespreken wie of wat we willen zijn.

Ook deze wet is vast geen tovermiddel om bestaande routines plotseling te veranderen. Het wordt hard werken op weg naar een gelijk speelveld voor particulieren. Ik zie de Omgevingswet vooral als een krachtige legitimatie van democratische vernieuwing, voorbij discussies over structuren of posities van bestuurders of politieke partijen. Wat nu nog ongewoon is wordt met de nieuwe wet gewoon, in de hoop op een kwaliteitsslag door mentaal eigenaarschap. Een goed voorbeeld is hoe in het gebied Markdal ten zuiden van Breda een vereniging van bewoners de kans kreeg te tonen waartoe zij in staat is. Daar is een stroperig lopende kavelruil in positieve beweging gebracht, mede dankzij de professionele kennis van de initiatiefnemers. De klassieke trits belang-betaling-zeggenschap is er in praktijk gebracht. De Vereniging Markdal brak met de overheidstaal door nieuwe taal te introduceren die past bij wat ze doen en beter weergeeft waar ze voor staan. Zo werd ‘nota’ vervangen door ‘Levend document’ en ‘participatie’ door ‘zeggenschap’.

Meer van deze goede voorbeelden en handreikingen: zie Overheidsparticipatie en Omgevingswet (Ministerie van BZK, NederLandBovenWater & Democratic Challenge), Peter van Rooy, maart 2018.
Op de Wethoudersmanifestatie Grensverleggers, die op donderdag 29 november 2018 plaatsvindt, zal Peter van Rooy een van de sprekers zijn. Klik voor meer informatie hier.

Peter van Rooy werkt dertig jaar als extern collega voor en met medewerkers, directieleden en bestuurders van overheden en marktpartijen vanuit zijn bedrijf Accanto. Momenteel is hij kennismakelaar voor initiatieven Omgevingswet.